
Ik besta.
Daar van ben ik heel zeker. Dit besef kan mij nooit worden afgenomen.
Wij denken dat de gedachte "Ik ben" staat voor wie wij in essentie zijn. Maar waarin verschijnt die gedachte? Wie neemt die gedachte waar?
Er moet dus iets eerder aanwezig zijn dan de gedachte, anders was er geen weten van de gedachte "Ik ben".
Die Eerste Instantie, die tevens de Laatste is, is Aanwezig Bewustzijn. Ik ben er, ik besta, en ik weet -ook zonder gedachten- dat ik besta.
Dit moet wel de voorwaarde van alle bestaan zijn, want zonder deze permanent aanwezige achtergrond zou er geen weten zijn van een 'ik' en een wereld.
Die Eerste Instantie is tevens de Laatste, want dit objectloze Zijn is ontraceerbaar voor ons. Wij zijn in onze essentie geen object, wij zijn dàt dat objecten bevat en waarneemt. Wij bestaan zonder woorden, zonder gedachten. Wanneer er geen woorden en gedachten zijn, is er vol-uit Zijn. Wij vallen niet uit elkaar zonder gedachten.
Zodra er de eerste gedachte "Ik ben" is, is er onmiddelijk een Ander. De wereld buiten mij. De gedachte "Ik ben" is de Zondeval. Daarmee zijn wij afgescheiden geraakt van het Paradijs van onze Natuurlijke Staat. Een Staat zonder denken, zonder afscheiding, zonder af-zonde-ring. Wij vallen uit de Eenheid in Dualiteit, de wereld van verschillen en tegenstellingen.
Hoewel de Natuurlijke Staat immer in ons aanwezig is als louter onze Bewuste Aanwezigheid raken wij al denkend en identificerend met ons 'ik' snel verloren in de wereld van de veranderingen, die naast genot ook veel lijden met zich meebrengt. Wordt het ons teveel, dan wenkt onze Natuurlijke Staat ons terug via het verlangen naar die verloren gegane Oerstaat.
Die terugweg kan alleen maar leiden naar die objectloze, gedachtenloze Oerstaat, die ons werkelijke Wezen is.